

Financiering
Algemene regel: Systeem gefinancierd middels verzekeringspremies (ten laste van de werkgever) met overheidssubsidie
Verzekeringspremies: zie hoofdstuk Oudedag
Overheidsbijdrage: gedeeltelijk gefinancierd door de overheid
Wetgeving
Wet n. 155 van 23 april 1981
Wet n. 638 van 11 november 1983
Overheidsverordening n. 503 van 30 december 1992
Wet n. 335 van 8 augustus 1995
Wet n. 234 van 23 augustus 2004
Grondslag
Systeem van verplichte sociale verzekering, gefinancierd door middel van verzekeringspremies voor werknemers in loondienst, met aan het pensioen van de overleden verzekerde gekoppelde uitkeringen.
Aparte regelingen voor zelfstandigen
Toepassingsgebied
Alle werknemers in loondienst in de private sector.
Aparte regeling voor boeren, (deel-)pachters, ambachtslui en handelaren
Voorwaarden
Overleden verzekerde:
• normaal pensioen(ouderdom): 5 premiejaren waarvan 3 ten minste in de laatste 5 jaar òf 15 premiejaren ongeacht de periode
• bevoorrecht pensioen: geen enkele voorwaarde ten aanzien van de premie, wanneer het overlijden het gevolg is van dienstuitvoering echter niet schadeloos wordt gesteld als zijnde arbeidsongeval
Nabestaande echtgeno(o)t(e): in geval van echtscheiding kan rechthebbende op alimentatie, het pensioen verkrijgen door tussenkomst van de rechter
Kinderen: tot 18 jaar (21 jaar indien schoolgaand of 26 jaar indien student)
Anderen: ouders, broers, zusters of kleinkinderen ten laste van de verzekerden wanneer er geen andere nabestaanden zijn
Uitkeringen
Nabestaande echtgeno(o)t(e):
60% van het ouderdoms- of invaliditeitspensioen van de overleden echtgeno(o)t(e). Er bestaat geen recht meer op uitkering, wanneer de echtgeno(o)t(e) hertrouwt: In elk geval worden 2 annuïteiten uitgekeerd
Halfwezen
Elk kind heeft recht op 20% van het pensioen van de nabestaande echtgeno(o)t(e). Vanaf het 3 de kind wordt 40% van het pensioen onder de kinderen verdeeld.
Heeft de nabestaande echtgeno(o)t(e) geen recht op pensioen, dan krijgt elk kind 40%. Vanaf het 3de kind wordt 100% verdeeld naar het aantal kinderen
Volle wezen
40% per kind. Vanaf het 3 de kind wordt 100% verdeeld naar het aantal kinderen
Sinds september 1995 geldt dat bij slechts één kind het percentage wordt opgetrokken naar 70% van het pensioen. Is er binnen het gezin een minderjarig, een schoolgaand of een gehandicapt kind, dan is cumulatie met andere pensioenen onbeperkt toegestaan.
Overige begunstigden
Voor ouders, broers, zussen of kleinkinderen:15% van het pensioen van de verzekerde tot een maximum van 100%, mits er geen andere nabestaanden zijn
Minimum pensioen: € 427,58 per maand
Maximum pensioen: een enkele bij wet vastgelegde beperking
Fiscale behandeling
Uitkeringen fiscaal belastbaar



